“Mam ik ben vandaag ziek.
Oh wat heb je dan?
Ik heb hoofdpijn en buikpijn, ik kan echt niet naar school toe.
Maar je hebt vandaag je spreekbeurt?
Ja, maar dan haal ik die wel weer in, dat geeft niet hoor.
Maar je ziet er helemaal niet ziek uit, en net was er nog niks aan de hand. En nu gaan we weg en dan ineens heb je buikpijn.
Ik zie er gewoon zo tegen die spreekbeurt op, ik kan het gewoon niet, ik durf het niet want dan gaat iedereen naar mij kijken, en dan vergeet ik wat ik moet zeggen….”

Elke keer als er iets bijzonders op school is waarbij je kind moet presteren zoals een toets, een spreekbeurt of een boekbespreking dan is er stress in huis. Die stress kan zich op verschillende manieren uiten. Dat kan door boosheid, je kind wordt op alles en iedereen boos ongeacht wat ze wel of niet gedaan hebben. Of je kind is juist heel stil en verdrietig en gaat om het minste of geringste huilen.

Gezonde spanning of faalangst

Het kan zijn dat dit gewoon gezonde spanning is die we allemaal wel eens hebben als er iets moeilijks staat te gebeuren. Voor een groep je spreekbeurt houden is nou eenmaal gewoon spannend en dat mag ook. Daar mag een gezonde portie onzekerheid de hoek om komen kijken.
Maar het moet niet zo zijn dat je kind er ziek van wordt of dat je kind niet meer naar school toe wil daardoor. Dan gaat de onzekerheid meer de vorm van faalangst aannemen.

Wat is dat faalangst?

Letterlijk is faalangst de angst om te falen. Dat falen kan zijn op het gebied van schoolse taken maar ook op het gebied van sociale contacten.
Bij de angst voor schoolse taken is het kind bang dat ondanks alle goede voorbereidingen het toch mislukt. En eigenlijk is de angst er ook al vooraf. Uitspraken en gedachten als “Het zal wel niet gaan lukken, ik krijg vast een black-out.” Of “Ik kan het toch niet” zijn gedachten die al lang van te voren meespelen. Faalangst heb je alleen als het om een bepaalde “taak” gaat waarbij iets van je verwacht wordt en er een beoordeling volgt. Bijvoorbeeld een toets op school, een spreekbeurt, maar ook een beurt krijgen van de juf of meester tijdens de les.
Door die angst die er dan is presteert je kind vaak onder zijn of haar niveau. En vooral de tijd die aan die taak vooraf gaat is vreselijk en daar heb je dan vooral thuis last van in de vorm van bepaald gedrag wat je kind laat zien.
De angst op sociaal gebied uit zich meer in de omgang met anderen. Het kind is ervan overtuigd dat anderen hem/haar stom vinden. Hierdoor zal het kind in de klas ook geen spreekbeurt durven houden, geen vragen durven stellen of antwoord durven geven op vragen.

Een negatief zelfbeeld

Faalangst heeft alles te maken met het zelfbeeld dat het kind heeft. Een kind kan zichzelf zien als positief: “Ik ben oké en ik doe ertoe,”  of het kind kan zichzelf zien als negatief: “Ik presteer slecht, iedereen vind mij stom en dat klopt ook, want ik bèn stom. Dat vind ik zelf ook.” Door dit negatieve zelfbeeld presteren kinderen slecht.
Ze zitten vaak vast in de negatieve gedachtegang die ze hebben. Als ze een spreekbeurt moeten gaan geven, denken zij meteen aan dat die spreekbeurt niet gaat lukken. Bij een toets kijken ze meteen naar de opgaven die ze niet kunnen. Er is alleen nog maar plaats voor de negatieve gedachten. Ze denken dat ze de opdracht niet aankunnen, denken alleen maar dááraan en kunnen vervolgens de opdracht niet aan, omdat hun hoofd vol zit met die negatieve gedachten. Daarna worden ze hierin bevestigd, omdat de opdracht daardoor daadwerkelijk mislukt. Kinderen met faalangst zijn altijd op zoek naar bewijzen voor hun onkunde.

Een paar tips om je kind te helpen:

    • Maak duidelijk aan je kind dat fouten maken mag en dat niemand zijn leven foutloos doorbrengt.
    • Vertel zelf over dingen die jij als ouder fout hebt gedaan; hoe dat voelde en hoe je dat oploste.
    • Laat merken aan je kind dat je van hem/ haar houdt ongeacht van wat voor prestaties je kind laat zien.
    • Geef complimenten op de moeite die je kind ergens voor doet en niet over het product.
    • Geef je kind de tijd om na te denken: soms zegt je kind “Ik weet het niet”, maar is dan nog bezig met nadenken. Wees niet te snel met je antwoord en zeg dat hij/zij even mag nadenken.
    • Vervang ‘goed en fout’ door ‘helpend en niet helpend’: je kind is erg gevoelig om te horen dat iets niet goed ging. Bijvoorbeeld: “Je houdt je potlood niet goed vast” maak daar van: “Het helpt als je meer je potlood zo vast houdt.”
    • Help je kind een klein stukje op weg: vraag je kind in een voor hem lastige situatie ‘wat kun jij hiervan zelf doen?’ en ‘wat kan mama doen om jou te helpen?’.
    • Vertel ‘Je kunt het nóg niet’ als je kind zegt dat hij het niet kan: hiermee spreek jij je vertrouwen uit naar je kind dat je gelooft dat hij het kan leren.

Heb je na het lezen van deze blog nog vragen of twijfels? Of wil je graag van gedachten wisselen over hoe je jouw kind kunt helpen met zijn/haar onzekerheid of faalangst? Neem dan contact met mij op en dan kijken we samen naar wat jij zelf kan doen en wat ik eventueel voor je kind kan betekenen.